THE END (OR HOW TO DEAL WITH IT)

Pieter Van Bogaert schreef een analyse over ons proces. Hieronder enkele alinea’s, volledige tekst vindt je hier.

(…) Some five hundred meters in the Wadden Sea, Lotte and Daan installed a glass cube. When the tide is low, the cube rests on the sand. When the water comes up, the cube disappears in the sea. You can sit in the cube and watch the movement of ebb and flow for twelve long hours. There is a glass roof on the cube to make the isolation complete. This is what the end looks like. Like a bubble: the total and final separation between nature and culture. It is what Latour writes about in his book. The reason why we have never been modern is actually that we never succeeded in separating nature from culture. The cube you see over there is the final dream of modernity. An impossible dream.

A few days before I arrive at Terschelling the freshly installed cube turns out to be leaking. ‘This is the end’, says Lotte on her blog. ‘Stay calm, don’t panic’, says Daan. This is Latour’s modernity at work. It will never work. There will always be a leak between nature and culture. Impossible to separate the one from the other. That is the reality we have to deal with. Every end stands for a new beginning. We have never been modern, we have always been in between. Hybrids is what we have always been.

How to deal with this new reality? This leaking reality? It’s a process. It goes from acceptance to emphasizing. It starts with Daan saying ‘don’t panic’ and ends with him drilling more holes in the cube. In between these two moments there is a lot of discussion, a lot of words and thoughts. Arie, artistic advisor of the project, suggests not to talk of a failure (mislukking in Dutch) but of a realization (verwerkelijking). This is after all how reality takes over the art project. As an artist you want to frame something (that is what the cube is: a frame that appears and disappears in the sea), you want to show (the cube is an object) and to see (the cube as a window). But what Lotte wants to avoid is that the emphasis lies on the end of the work. This is a hybrid work. It wants to show a process, a series of thoughts, it wants to inspire, to be (or build) a conversation. (…)

VIII. Wietze Vos: Het is wederzijds

Op zondag 24 juni ontvangen we onze laatste gast, Wietze Vos. Voor ’t laatst voltrekt zich het ritueel. We ontbijten op de dijk met zicht op de vlakte voor ons en in de verte de lege glazen ruimte, wachtend. Vlak voor Wietze met waadpak en tassen het wad betreed stel ik hem een aantal vragen over de relatie mens natuur en hoe hij die ervaart. Dat wat ’s ochtends in dit korte gesprek gezegd wordt blijkt voor de meeste gasten een leitmotiv doorheen de dag. Zo ook nu. Wietze spreekt onomwonden over zijn liefde voor de natuur. Een liefdesverklaring met een pijnlijke wending. ‘Ik hou van de natuur. Maar of de natuur ook van mij houdt? Ik weet het niet. Ik kan niet zonder de natuur, maar de natuur kan waarschijnlijk wel zonder mij.’

Enkele maanden geleden vertelde iemand me over een sollicitatie die ze deed bij een natuurbeschermingsorganisatie. ‘Hou je van de natuur?’ werd haar gevraagd. ‘Ja’. ‘En houdt de natuur van jou?’ ‘Nee’, had ze ferm geantwoord, ‘voor de natuur doe ik er niet toe‘. ‘Dan kan je hier niet werken’, werd haar direct medegedeeld.

Ook de afgelopen dagen heb ik het veel gehoord. ‘Ik doe er niet toe’. En steeds weer bekruipt me het gevoel dat precies daar het probleem ligt, of de oplossing zo je wilt. Dat we een klein radartje zijn in het geheel, betekent niet dat we er niet toe doen. Als je er niet toe doet, zou het ook niet uitmaken wat je deed. En dat is nu precies niet het geval. We combineren grootheidswaan met een minderwaardigheidscomplex. Kunnen we onszelf de juiste maat geven, een passende plek? Onszelf van het voetstuk halen, ja. Maar dan niet direct voor straf de modder in duwen. Het ecologisch vraagstuk zou enorm geholpen zijn met een kloppend zelfbeeld. Niet te groot. Niet te klein.

Vanuit de verte zie ik Wietze zitten terwijl het water de kubus nadert. Een kleine man van ongeveer 60 jaar oud met een selfie-stick in een glazen kubus. Het is een vervreemdend beeld. Hij filmt zichzelf met het opkruipende water op de achtergrond en kijkt mee via het opgenomen beeld. Ik kijk naar hem, gevangen in een geometrische ruimte. De mens in een bokaal. Als hij niet met de selfie-stick in de weer is ligt hij op de grond. ‘Ik ga het wad vanuit het perspectief van de wormen bekijken’, heeft hij me ’s ochtends al verteld. 

Aan het begin van de avond, wanneer de vloed zijn hoogtepunt heeft bereikt en Wietze weer aan de wal staat, tref ik een dolgelukkige man. ‘Het is wederzijds’, zegt hij lachend. ‘Ik weet het zeker. De natuur houdt ook van mij’. Oprecht en goud eerlijk, met tranen in zijn ogen kijkt hij me aan. We zijn een tijd lang stil. Ik voel hoe de wind langs me heen waait. Hoor vogelgeluiden over de vlakte kaatsen, ze treffen mij ook. Ik wordt aangeraakt. Ik ben er. Soms gebeurt het. Dan val je in je omgeving, precies op je plek. 

VII. Jan de Keijzer: Schrijvend een vogel volgen

Jan was onze 7de gast, op zaterdag 23 juni. Hij heeft veel geschreven in een poging dat wat hij zag te delen met alle mensen die er niet waren; zijn vrouw, zijn zoons. ‘Alsof er iemand naast me zit die blind is’, zei hij.

Er vliegen rechts van me 2 meeuwen van links naar rechts. Maar als ik dit heb opgeschreven zijn er 4 meeuwen in een vogelvlucht te zien en die gaan verschillende kanten op.

Ik dacht dat zo’n verblijf in de kubus wellicht een mogelijkheid zou zijn om alles te beschrijven. Vergeet het maar. De rimpelingen in het water, de vliegende vogels, de wind, de zon; elk moment dat je beschrijft leidt af van de waarneming die je niet hebt kunnen doen omdat je aan het schrijven was.

Als Jan aan het eind van de middag weer aan wal staat en met mij terug kijkt op de dag, turend over het inmiddels volgelopen waddenlandschap, klinkt er teleurstelling door zijn enthousiasme heen. Hij heeft niet alles kunnen opschrijven wat hij zag en erger; als hij aan het schrijven was kon hij niet kijken. Ik heb een selectie gemaakt uit zijn uitvoerig bijgehouden logboek.

Net naast me staat het water in een lager liggende plas zo’n 10 cm hoog. De wind maakt golfjes zowel rechts als links. Rechts zijn de golven breder maar ook gefragmenteerder. Links zijn het een soort hyperbolen, smaller. Ze gaan nu van achteren naar voren.

Op een meter of 10 voor me zie ik water staan. Ik kan niet goed zien in welke richting het water stroomt. Ik denk dat het stilstaat.

Het is nu naar ik aanneem laagwater. Voor me ligt een open drooggevallen vlakte. De zon schijnt krachtig en veroorzaakt verschillende glinsteringen op de golfjes die ik links van me zie en de glinsteringen zijn niet rechts.

Ik heb het idee dat het water hoger staat dan toen ik begon met schrijven. Het is misschien wel goed om een paar markeerpunten vast te leggen waar ik me op kan oriënteren als het water wel of niet gaat stijgen.

Op 10 uur ligt een groene molshoop op zo’n 20 meter afstand. Ik denk ruim 10 cm boven het huidige laagste waterpeil. Op 11 uur zie ik op ongeveer 100 meter een aantal stokjes uit het water steken. Er zitten veel vogels bij te pikken. Op 2 uur zie ik op ongeveer 50 meter van me vandaan een verhoging ook van ongeveer 10 cm, maar dat weet ik niet zeker. Op half 3 is een kleine molshoop van hooguit 3 cm hoog op ongeveer 20 meter van me vandaan. Dat wordt het eerste ijkpunt bij het stijgen van het water.

Het is nu links en rechts van me heel rustig. Het water lijkt eerder lager dan hoger in vergelijking met mijn eerdere waarnemingen. De vloed houdt zich nog gedeisd. 

Ik had dat van mezelf niet gedacht, maar ik word een beetje ongeduldig.

Ik besef opeens dat ik helemaal niet op het laagste punt zit. Mogelijk is de stijging van het water al lang begonnen. Ik zie voor me een zandbank liggen die ik eerder niet heb opgemerkt. Daarachter zie ik water met honderden meeuwen. Ik zie het water oprukken. De zandbank die ik nu zie was aanvankelijk een onderdeel van een groot droog gevallen waddengebied. De zandbank is ook aan het verdwijnen.

Ik zie mijn baken op 2 uur al onder water lopen. Het gaat heel snel. Het water komt steeds dichterbij. Nog tien meter en dan gaat het mij bereiken. Mijn baken op 2 uur is al bijna onder water. De vloed heeft mijn kleine watertje van 1 bij 1 meter nu bereikt. Er zit wat bruinig schuim op de eerste vloedgolf. Het ruist in de kubus. Het water heeft me bereikt en loopt onder de kubus door. Ik zie alleen nog maar water als ik vooruit kijk. De meeuwen verplaatsen zich achter de vloedgolf aan. De eerste druppels in de kubus dienen zich aan. Achter mij richting de kust zijn nog een paar bergeenden en scholeksters te zien. Het water heeft de kust nog niet bereikt. De meeuwen passeren mij op een 30 meter en duiken in het ondiepe water. Ik zie twee aan elkaar geklitte groene ballen passeren. Het water komt naar binnen.

Rechts achter me is veel schuim. Mijn ankerpunt op 10 uur is nog te zien. Het ankerpunt op 2 uur  verdwijnt onder water.  Het water dat binnenkomt lijkt heel helder. Er zijn nauwelijks golven. Voor me zie ik een stuk wier op me afkomen.

VI. Maria Roelofs: Wij horen hier niet

Maria is te gast in de kubus op vrijdag 22 juni. Ze heeft veel gereisd, is vaak in de woestijn geweest. ‘De woestijn was ooit bodem van de zee. Ik heb het gevoel dat ik dit uitgestrekte landschap ken’. Wanneer ze aan het eind van de dag door het hoge water terug komt lopen met de tassen op haar rug moet ik denken aan beelden van bedoeïenen, traag lopend door gure zandstormen. 

‘Ik had het niet verwacht, maar het was te groot. Het was te groot, te veel. Ik ben dichtbij begonnen en heb mijn blik heel langzaam steeds verder weg gelegd. Halverwege de ochtend kon ik weer in de verte kijken. Toen overviel me een zwaar en duister gevoel. Ik hoor hier niet thuis, dacht ik. Wij mensen, wij horen hier niet thuis’. 

Wat doe je dan?’, vraag ik haar, ‘als je sterk het gevoel hebt hier moet ik niet zijn en er toch bent?’. Het is lang stil. ‘Nederigheid’, zegt ze. ‘We moeten nederig zijn’. Iets later spreken we over het gevaar om weg te kruipen in je schulp; sorry dat ik besta kan ook de oplossing niet zijn. Jezelf wel manifesteren, maar zonder het leven om je heen te verdringen. Een uitdagende balans.

V. Sam Berghuis: Spelend ten onder

Sam is onze 5e gast; een man van bijna 50 die zich heel bewust opstelt als een kleine jongen. Al tijdens het ontbijt op de dijk geeft hij aan dat voor hem speelsheid en omgang met natuurkrachten vaak in elkaar overlopen. ‘Ik ben al een keer bijna verdronken’, zegt hij lachend. ‘Een geweldige ervaring die ik niet had willen missen’. 

Sam lijkt het goed naar zijn zin te hebben op het wad. Het water stijgt snel, de wind waait hard. De lange man is nauwelijks nog zichtbaar en het water staat hoog; 20 cm onder de rand van de kubus.  Sam komt uit zichzelf niet terug dus we gaan hem halen. Wanneer we kletsnat weer aan de kant staan zien we de kubus verdwijnen in het water. ‘Als we je niet waren komen halen, was je dan blijven zitten?’, vraag ik hem. ‘Ja’, zegt hij beslist. 

Een paar dagen later stuurt hij me een gedicht uit Rilke’s Stundenbuch.

Ich bin auf der Welt zu allein

und doch nicht allein genug,

um jede Stunde zu weihn.

Ich bin auf der Welt zu gering

und doch nicht klein genug,

um vor dir zu sein wie ein Ding,

dunkel und klug.

IV. Jessica Lelieveld: Ik was niet alleen

Jessica was onze 4e gast. Ze nam zich voor de verschillende kleuren van het wad te schilderen maar kwam terug met andere beelden.

Ik was niet alleen. Er waren voor mijn gevoel allemaal mensen bij me. Ze stonden achter me en keken met me mee.

Ik heb vaak veel pijn. Pijn is altijd bij me. Maar vandaag niet. Vandaag was ik zonder pijn.

III. Marjolijn van Heemstra: Even niets

Marjolijn is onze 3e gast. In een veel te groot waadpak loopt ze ’s ochtends dapper het wad op. Als ze terugkomt bij hoogwater hebben we een gesprek op de dijk en al voor we afscheid nemen heb ik spijt dat we zoveel gesproken hebben. Misschien was het beter geweest te zwijgen. We hoeven niet altijd onze woorden te forceren op de dingen die we meemaken. ‘Ik vond het gewoon heel fijn’, zegt ze. En dat is veel. ’s Ochtends nog spraken we over de drukte, de stad, het voortdurend moeten, voortrennen en presteren. Het is zo belangrijk onszelf de ruimte te geven om sommige ervaringen niet te duiden en niet te delen, denk ik nu.

Op facebook wordt haar door nieuwsgierige volgers al om een verslag gevraagd:

Waar en wanneer kunnen we lezen over je ervaringen?

Ze antwoordt direct:

Volgende zaterdag een column in Trouw erover, maar wie weet schrijf ik nog iets meer, even over nadenken. Sommige ervaringen hou je misschien ook liever voor jezelf, omdat het onder woorden brengen ook meteen afstand schept.


Column Marjolijn van Heemstra / TROUW / 30 juni 2018

Of ik van eb tot vloed in een glazen kubus in zee wilde zitten, vroeg kunstenaar Lotte van den Berg. Eten en drinken mee en een ton met zaagsel om in te plassen. Zelfs zonder die ton had ik ja gezegd.

Een kleine glazen doos in zee, gebouwd om de relatie tussen mens en natuur te bevragen, leek me de perfecte plek om bij te komen van een vakantie met peuters en regen en weinig slaap.

Om acht uur ’s ochtends trek ik bij eb op een smalle dijk een waadpak aan, laat mijn spullen achter en loop over de modderige zeebodem naar Lotte’s kubus op vijfhonderd meter van de kust.

Het is een vreemd landschap. Tijdelijk. Voor het eerst hoor ik het tij in dat woord.

Eenmaal in de kubus is er niets te doen dan kijken en hoe langer ik kijk hoe meer ik zie. Dingen die ik dood gewend ben – schelpen, stenen, korrels zand – lijken levend hier. Sommige landschappen zijn zo eentonig dat je er langzaam doorheen moet reizen om de schoonheid te zien, schreef Thesiger, op een kameel de woestijn doorkruisend. Hoe sneller je gaat hoe saaier het wordt.

Ontdekkingsreiziger

De windstilte in de kubus maakt de ruimte roerloos. Er komt een krab voorbij, kleine pokdalige bodybuilder, met zijn brede schouders en driehoekig lijf. In het plasje water zwemmen bijna doorzichtige visjes, kleiner dan een vingertop. Geen idee hoeveel tijd er verstrijkt. De zon stijgt, ik dommel weg en dan ineens is daar de vloed. Er moeten uren zijn verstreken sinds ik hier binnenkwam.

Aan de andere kant van het glas bouwt zich een muur van water op, geelgroen en troebel. Er zwemt een paarse kwal voorbij of misschien is het iets anders, het zicht is slecht.

Ik denk aan Barton en Beebe, ontdekkingsreizigers die in de jaren dertig in een kleine stalen bol naar het diepste punt van de aarde zakten om het leven daar in kaart te brengen. Maar het duister bleek op die diepte ondoordringbaar. Wat Barton en Beebe na die levensgevaarlijke afdaling konden melden, was dat de diepte zich niet laat kennen. Waardeloos, oordeelde de wetenschap. Maar in deze kubus, omringd door zompig water, lijkt het me een zeer zinnige conclusie.

Het wordt koud in de kubus en ik zit en kijk hoe het water verder stijgt, het land weer bodem wordt en ik voel me een beetje belachelijk in deze glazen kooi, belachelijk en vrij en van voorbijgaande aard.

Minister Ingrid van Engelshoven: Deze ervaring gaat nooit meer uit mijn hoofd

Fotografie Jelte Keur

Voor Opium op Oerol stapte Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Ingrid van Engelshoven het Wad op en nam voor even plaats in de glazen kubus.

Je loopt naar de kubus, je kruipt er in, je gaat zitten en je bent alleen met het Wad. Je zit daar, je kijkt de zee in en er is verder niks meer.

In de uitzending komt ook voormalig directeur van de Waddenvereniging Arjan Berhuysen aan het woord. Hij verbleef afgelopen maandag 6 uur lang in de kubus.

Wij zijn als mens gewoon onderdeel van de natuur. Als je daar zo tussen zit dan klopt het. Er komt een kwal voorbij, mens en natuur dat is een geheel.

Via onderstaande link kun je het hele item en de prachtige filmbeelden van Jelte Keur bekijken (start op 23.45).

Opium op Oerol Uitzending 19 juni 2018

II. Arjan Berkhuysen: De natuur is kwetsbaar. Bullshit.

Arjan Berkhuysen is onze tweede gast. Op maandag 18 juni neemt hij plaats in de kubus op het wad bij laag water. Arjan is voormalig directeur van de Waddenvereniging en momenteel werkzaam voor World Fish Migration Foundation. Hij heeft de opblaaseenhoorn van zijn dochter meegenomen. ‘Als het om overleven gaat pak je dat wat voorhanden is’, zegt hij lachend.

Het was een luxe situatie. Ik kon genieten van de omgeving en de ruige natuur en tegelijkertijd heerlijk zitten. Dat was fijn. Maar het is ook vreemd. De afstand die we als mens nemen tot de natuur is groot. Je maakt het abstract als je alleen maar observeert, als je alleen maar toeschouwer bent. Ik wilde erin duiken, zwemmen, maar deed dat niet. Toen ik naar buiten ging om te plassen kroop ik toch zo snel mogelijk weer terug de veilige ruimte in.

Ik zou graag zien dat mens en natuur dichterbij elkaar komen te staan; meer één worden. Maar zonder te doen alsof we dan alles moet loslaten wat we nu hebben. Die zoektocht daar ben ik mee bezig. De constructies die we als mens maken, de structuren die we creeeren, daar moet vrijheid in zitten en ruimte. Dat wat we toevoegen moeten we steeds opnieuw kunnen aanpassen. We moeten onze sporen durven achterlaten en meebewegen. Allebei. 

Voor mij is het belangrijk dat we ons niet schuldig voelen. De vogel die langs vliegt met een vis in z’n bek voelt zich ook niet schuldig. Die eet en wordt gegeten. Ik denk dat het belangrijk is dat we loskomen van ons schuldgevoel en verantwoordelijkheid nemen. We voelen ons schuldig over het afval dat we produceren. We denken mens is afval, mens is slecht. Dat is onzin. Laten we plastic beschouwen als een grondstof, een grondstof die iets toevoegt. Het plastic dat we nu produceren breekt niet snel genoeg af, kan niet flexibel zijn. Als het sneller afbreekt kan het meebewegen. Als je over de mens denkt als onderdeel van het systeem, als je de mens ziet als een verrijking voor het systeem dan ga je plastic bedenken dat verrijkt.  

We moeten af van onze fixaties. De mens is slecht. De natuur is goed. De natuur is kwetsbaar. Bullshit. Wij zijn kwetsbaar. Het gehele ecosysteem is kwetsbaar. En krachtig. Als het schuldgevoel wegvalt dan krijg je weer zin. Dat past meer bij mij. Ik ben voor mijn werk een gat aan het maken in de afsluitdijk om de vismigratie te bevorderen. We hebben nu al geld gereserveerd voor de aanpassingen die we straks gaan doen al weten we nog niet welke dat zullen zijn. Je moet zodanig bouwen dat je je voortdurend kan aanpassen, dat je kan meebewegen.

I. Casper van Gemund: Ik was even gewichtloos

Casper van Gemund is onze eerste gast. Op zondag 17 juni om 06.37 loopt hij het wad op. Als hij ’s middags weer terug is vertelt hij over zijn ervaring, zittend op de dijk, turend over het wad.

Ik voelde me als een astronaut op ruimtemissie. Een nep-astronaut, die met het vliegtuig omhoog vliegt, heel snel duikt en even gewichtloos is. Zo voelde het. Ik was even gewichtloos.

Ik liep er naartoe en ik kon de kubus niet zien, alleen met de verrekijker. Hij was voor mij onzichtbaar, als een soort fata morgana. En toen stapte ik in die voor mij onvindbare sfeer, in outer-space en alles was weg. Alle gedachten, alle persoonlijke gedachten, al het moeten. Het was troostrijk en tegelijkertijd beangstigend, onvermijdelijk. Het kader, het vacuum waar ik in zat was alomvattend.

Het kon een Corbusier kerk zijn, het kon Reims zijn, ik moest ook denken aan een moskee op een begraafplaats in Cairo, die was zo simpel, daar kwam ik ook spontaan tot leegte.

Ik werd geraakt door het hele rigide, strak modernistische lijnenspel temidden van de eerst heel vredige en daarna overweldigende elementen. Het kader is een brute interventie; lijnen en hoeken in een oneindige ruimte. Ik kwam in een soort droomtoestand terecht tot plotseling dat monster opkwam en het water omhoog borrelde. Ik dacht ik ben helemaal in tune. Maar dat bleek niet zo te zijn.

Het is treurig dat we en masse bezig zijn om de elementen in te kapselen, te vernietigen eigenlijk. Een soort IS-stijl. Als je ze niet kan inkapselen dat blaas je ze gewoon op. Wij zijn zo arrogant geworden, als persoon en als geheel, als mensen, dat wij niet willen accepteren dat het vol begint te lopen en dat we weggedrongen worden.

Terschelling / juni 2018

Foto / Willem Weemhoff

Ik denk vaak: ‘Dat wat wij aanraken is menselijk, dat wat wij (nog) niet hebben aangeraakt is natuurlijk.’

Toch kom ik er keer op keer achter dat alles wat wij mensen aanraken onder invloed is van natuurlijke processen.

Wanneer realiseer ik me -werkelijk- dat de manier waarop ik nadenk over de scheiding mens / natuur onhoudbaar is. Wanneer stap ik uit deze gedachte? – Lotte


Een kubus bestaat niet

Zondagavond 10 juni / Hij staat. Laurens, Frank, Tjadmar en Daan zijn euforisch. Het is ons gelukt. Ze gaan uit eten en vieren de overwinning.

Maandag 11 juni / Wanneer we het wad oplopen om nog wat laatste dingen te bespreken, zie ik op ongeveer 30 meter afstand dat de kist die in de kubus staat, verplaatst is. ‘Er staat water in’, zegt Daan. Mijn hart stokt. Dichterbij kijk ik naar het zeewater dat nu in het glas gevangen zit. Een beetje gelige stilstaande vloeistof. Hij is lek. Ik begin te vloeken. ‘Dit is het einde’, zeg ik en meer van dat soort woorden. ‘We gaan rustig blijven’, zegt Daan, ‘geen paniek.’

Dinsdag 12 juni / Onze eerste gedachte is repareren. Dit laten we ons niet gebeuren. Er wordt een stalen plaat besteld en Daan komt terug met maritieme superlijm. We gaan de kubus nogmaals verstevigen.
Wanneer houdt dit op? Wanneer is het sterk genoeg? We halen de kubus los uit het Wad en hijsen hem terug op het ponton. Hij wordt leeg gehoosd en droog gedept. Dit gaat goed komen.

Als de mannen terug komen van het wad zijn ze moe en bleek. ‘We hebben nog eens goed naar de constructie gekeken…’, de stilte die volgt spreekt boekdelen. Er is van alles verbogen. De krachten zijn immens geweest.
’s Avonds in gesprek met het hele team durven we voor het eerst hardop de mogelijkheid uit te spreken dat het ons waarschijnlijk niet gaat lukken de kubus te repareren.

Woensdag 13 juni / Alles wat we doen zal een lapmiddel zijn. We hebben de kubus overgeconstrueerd. Alles is zo goed ingepakt met een sterk metalen constructie dat de kit in de kern niet goed heeft kunnen drogen. Het water is binnengedrongen en heeft het ijzer verbogen. Overconstructie.

Het moet niet nog sterker. We moeten terug naar de kern. Plots krijgen we plezier in het bedenken van nieuwe verhalen. We beginnen ons af te vragen of we het binnensijpelende water kunnen gebruiken. Iemand schetst het beeld van een mens, wachtend op water, die bij het binnendringend water geen vin verroerd en zich langzaam laat onderlopen.

Zou dat niet een geweldige metafoor voor ons zijn? Wanneer iemand oppert om de reparatie nog even af te wachten; misschien krijgen we haar nog waterdicht, zijn we al om. Desnoods prikken we extra gaten in de bodem!


Voorbereidingen op Oerol / 9 juni

EEN KUBUS BESTAAT NIET

Kernbeeld van WE HAVE NEVER BEEN MODERN is een kubus van glas op het wad. Tijdens Oerol 2018 neemt iedere dag een andere bezoeker plaats in de kubus om het veranderend landschap van binnenuit te ondergaan. Honderden mensen kijken toe vanaf de waddendijk.

Hoe maakbaar is onze wereld? Hoe houdbaar zijn de constructies die we bouwen? En wat gebeurt er als het water binnensijpelt; als de zee onze zelf gecreëerde biotoop binnendringt?

Terschelling / juni 2017

13 juni 2017 / Komende week doen we op Terschelling onderzoek en bereiden we de productie voor. Mogelijkheid tot bezoek van de Test-site:  Vrijdag 16 , zaterdag 17, zondag 18 juni 2017 van 11:00 – 16:00 uur
 – op het wad bij Oosterend, Terschelling (buitendijks tussen de Perkweg en de Wierschuur).


Je neemt plaats bij laag water. Zittend op de uitgestrekte vlakte van het wad zie je in de verte het water naderen. Een in slowmotion aanrollende golf kruipt naar je toe. Je ziet de kreekjes om je heen vollopen, schelpdieren kruipen terug in hun schulp, zandwormen terug de aarde in. En dan gaat het snel. Binnen een mum van tijd heeft het water het overgenomen, nergens is nog land te zien. Je bevindt je midden in de zee. Het water stijgt tot aan je lippen om vervolgens in een paar uur tijd weer langzaam weg te zakken. Je ervaart deze voortdurend terugkerende beweging, deze ademhaling van de zee van binnenuit. – Lotte


14 juni 2017 / Lotte, Daan, Laurens en Vera drijven met een vlot de ballast het wad op. De ijzerslak is ingegraven en de test kubus van hout is verankerd.


14 juni 2017 / 800 meter uit de kust staat een lege ruimte van glas. Er is iemand naartoe gelopen bij laag water om daar, in die lege ruimte van glas, de vloed af te wachten. Vanaf de kant kijken mensen toe, met een verrekijker. Ze zien de persoon in de ruimte niet. Die zit op de grond, in een kubieke meter droogte, met de klotsende golven rondom. Wat zou het voor jou betekenen toe te kijken? En wat zou het voor jou betekenen in de glazen ruimte plaats te nemen?

Neem hier een kijkje door de verrekijker


15 juni 2017 / Vanochtend stond de testkubus er rustig bij. De verankering en de ballast bleken dus sterk en steady genoeg. Vandaag halen we de testkubus van het wad en plaatsen we de glazenkubus.


16 juni 2017 / Voorbijkomende bezoekers gingen vandaag mee het water in. Dit jaar kunnen de bezoekers nog niet in de kubus, dat kan pas volgend jaar. Maar met waadpak aan de plek bezoeken is ook al veel.

Teruglopend zegt iemand:

Het is een soort van 4e dimensie. Het is er wel, maar het is er niet. Een kubieke meter leegte. De hele tijd zie je niets en dan plots is het er.

Terschelling / april 2017

10 april 2017 / De fundering.


11 april 2017 / Wachten op water.

Kar


13 april 2017 / De ankers bieden niet voldoende weerstand. Het wad heeft de kubus nog niet geaccepteerd. De kubus is ’s nachts ‘uitgespuugd’ en gaan lopen. Daan en Laurens vinden hem, 100 meter verderop. Gehavend. Gebarsten.

Kubus los dag 1.jpg

Hoe je je verhoudt tot het landschap heeft alles te maken met wat je er wilt doen. Ik had niet gedacht dat het plaatsen van een glazen kubus op het wad zo’n Fitzcarraldo-onderneming zou worden. – Daan.


14 april 2017 / Lotte wil graag uitproberen hoe het is als de kubus wordt afgesloten aan de bovenkant. Vera koopt een plexiglas-plaat. Veel mensen geven aan er dan niet meer in te willen, als hij ook van boven dicht is. Lotte wil het verschil tussen de binnen- en buitenruimte het liefst zo groot mogelijk maken. De kubus als autonome afgesloten ruimte, met ander klimaat, andere temperatuur, geen wind en ‘eigen lucht’. Hoe ver wil je gaan?

Net 3 uur in de kubus gezeten. Het water kwam langzaam op. Ik ben enthousiast. We hebben de perfecte toeschouwersruimte gebouwd. Hier kan je niets, behalve kijken. Aan alle kanten (rechts, links, boven, onder) de meest waanzinnige beelden; ingekaderd, scherp, levend, veranderlijk. Hier kan ik uren vertoeven. En tegelijkertijd; ik zit achter glas. Kan niets aanraken, doe niet mee, ben afgeschermd. Het is pijnlijk en mooi tegelijk. Ik realiseer me dat de meeste beelden die tot ons komen van achter glas zijn; via de lens van de camera, het glas van de telefoon, mijn computer, de tv. Bijna alles wat we zien toont zich aan ons via glas. Als ik terug loop naar de dijk duw ik mijn voeten zo diep als ik kan het zand in. Ik heb zin mezelf op de grond te gooien en in te graven. Vies worden, dat zou fijn zijn. – Lotte